Vanochtend is de oorlog onvoorzien uitgebroken, hier recht onder onze neus. Menigeen had ons er nochtans voor gewaarschuwd: "Voor je vertrek, je zal het zien, willen ze je bloed..." Maar ons zou het niet gebeuren.
En zie, het had zich al willen aankondigen een paar weken geleden. Net toen we het huispersoneel hadden verteld over ons nakende vertrek, werd ik (om een lang verhaal kort te maken) ervan beschuldigd spaargeld van de huishoudster achter te houden. Na het een en ander te hebben rechtgezet, dachten we het ergste achter de rug te hebben. Maar de lont bleef smeulen. Tot afgelopen vrijdag, toen ook de tuinman beweerde dat ik niet kan rekenen. We zijn nog steeds not on speaking terms, hij en ik, maar ook dat leek onder controle.
Niet dus. Sinds vanochtend is het schieten met alle opgekropte frustraties. Niet ik, maar het trio huispersoneel onder elkaar. Iedere keer als we in de buurt van de keuken komen, wordt het ijzig stil, maar eens op veilige afstand bulderen de kanonnen: oorverdovend geknal. Voor zover ik het heb begrepen, wil begrijpen, beschuldigt de een de ander ervan haar werkterrein in te palmen en vice versa. We blijven nog maar één week in dit huis, waar hebben we het dan nog over? De overlevingsdrang van huishoudster, tuinman en kindermeisje neemt in extremis immense proporties aan.
Tot gisteren was ik er nochtans van overtuigd dat hulp in huis hier niks anders is dan een uitgebreidere vorm van het systeem met dienstencheques: creëren van werkgelegenheid voor on- en laaggeschoolden. Het maakt er het leven een pak aangenamer door. Hoewel.
Gespreksonderwerp nummer 1 bij expats is vaak datzelfde huispersoneel, net zoals men het in België de godganse dag over het weer kan hebben. We zouden het hier ook over het weer kunnen hebben, alleen is dat doorgaans iets minder gevarieerd dan het aanbod aan werkkrachten: huishoudsters, tuinmannen, kindermeisjes, koks, chauffeurs, wachters, hondenuitlaters... Palaveren over 'die van ons' is bovendien onderhoudender dan pakweg de praatjes over bewolking. 'Die van ons' is namelijk overwegend een bron van ergernis. Geen expatgezin bezit nog messen met een punt eraan, wel een lade vol gloednieuwe blikopeners. Expats kruipen niet onder de wol bij het slapengaan, maar in de opening van de dekbedovertrek. Het flapje dient als oogmasker. Als expatmoeders van huis zijn, dragen expatkinderen groene bolletjestruien op gele bloemetjesrokken met kauwgumballenroze sokken in glitterrode sandalen. Expatjongetjes leven als god in Frankrijk, expatmeisjes zijn in prinses vermomde ettertjes, expatvaders zijn steeds van huis weg en expatmoeders luie krengen die van geld uitgeven een dagtaak hebben gemaakt. En in elke expattuin staat een expatezel die geld schijt...
En dat brengt ons weer aan het front. Er werd net een bom gedropt ten noordwesten van de strijkkamer. Laat ik maar beginnen met wat gewonden af te voeren en - oef - dan komt het weekend er alweer aan, tenminste twee dagen wapenstilstand.